aankomen

Fra Wiktionary
Spring til navigation Spring til søgning

Nederlandsk

Etymologi

aan- +‎ komen

Udtale

Verbum

aankomen

  1. at ankomme
  2. at traeffe
  3. at komme
  4. at berøre
  5. at tage på

Bøjning

Lang tillægsform aankomend
Førnutid zijn aangekomen
Bydemåde kom(t) aan
ik jij/je, u hij, zij/ze, het wij/we, jullie, zij/ze
Nutid kom aan komt aan komt aan komen aan
Datid kwam aan kwam aan kwam aan kwamen aan

Kilder