uitdoen

Fra Wiktionary
Spring til navigation Spring til søgning

Nederlandsk

Udtale

Verbum

uitdoen

  1. at klæde af
  2. at slukke

Bøjning

Lang tillægsform uitdoend
Førnutid hebben uitgedaan
Bydemåde doe(t) uit
ik jij/je, u hij, zij/ze, het wij/we, jullie, zij/ze
Nutid doe uit doet uit doet uit doen uit
Datid deed uit deed uit deed uit deden uit

Antonymer

Kilder

  • uitdoen“ i vanDale woordenboek