uitchecken

Fra Wiktionary
Spring til navigation Spring til søgning

Nederlandsk

Udtale

Verbum

uitchecken

  1. at checke ud

Bøjning

Lang tillægsform uitcheckend
Førnutid hebben uitgecheckt
Bydemåde check(t) uit
ik jij/je, u hij, zij/ze, het wij/we, jullie, zij/ze
Nutid check uit checkt uit checkt uit checken uit
Datid checkte uit checkte uit checkte uit checkten uit

Antonymer

Kilder