duiken

Fra Wiktionary
Jump to navigation Jump to search

Nederlandsk

Udtale

Verbum

duiken

  1. at dykke
  2. at nedgrave sig

Bøjning

Lang tillægsform duikend
Førnutid hebben gedoken
Bydemåde duik(t)
ik jij/je, u hij, zij/ze, het wij/we, jullie, zij/ze
Nutid duik duikt duikt duiken
Datid dook dook dook doken

Kilder

  • duiken“ i vanDale woordenboek