aansnijden

Fra Wiktionary
Spring til navigation Spring til søgning

Nederlandsk

Etymologi

aan- +‎ snijden

Udtale

Verbum

aansnijden

  1. at tage (skære) hul på
  2. (spørgsmål) at komme ind på

Bøjning

Lang tillægsform aansnijdend
Førnutid hebben aangesneden
Bydemåde snijd(t) aan
ik jij/je, u hij, zij/ze, het wij/we, jullie, zij/ze
Nutid snijd aan snijdt aan snijdt aan snijden aan
Datid sneed aan sneed aan sneed aan sneden aan

Kilder